CLEMMINCK

FRAGMENTEN


Haar moeder werkt zich met twee shoppers en een schouderduw tegen de deur de keuken in en begint de boodschappen uit te pakken en in te ruimen. ‘Loop vandaag even bij Marie binnen,’ zegt ze terwijl ze kastjes en laden opent en sluit, verpakkingen schikt en herschikt. Alles wat koel moet verzamelt ze eerst op het aanrecht om het straks in een keer in de koelkast te kunnen zetten. De koelkast is de kerk niet, houd die deur zo veel mogelijk dicht alsjeblieft. En gooi er niet altijd zo mee, het kan allemaal kapot en het kost allemaal geld.
Ibs kijkt op van haar tekstboek anatomie en neemt een slok thee, waterige kamille, die ze lauw heeft laten worden, bijna koud. Statistiek moet ook nog vandaag, toxicologie kan tot morgen wachten. ‘Ze zal toch ook wel een keer naar beneden komen?’
Het kan allemaal kapot en als het dat eenmaal is moet het allemaal betaald. Nu op een kleiner inkomen dan voor de scheiding is haar moeders regieaanwijzing nog meer van belang dan die altijd al was, hoewel er in al die jaren nooit een koelkast met een defecte deur is afgevoerd.
‘De ene dag wel, de andere niet. Ze houdt het goed vol daarboven. Behalve met badderen en lezen weet ik niet waarmee maar ze houdt het vol.’
Wat als de koelkast wel de kerk was, dacht Ibs vroeger, toen kerk en God nog tot de verbeelding spraken omdat oma er heil in vond. Ze stelde zich oma’s God bij die eeuwige kou van drie of vier graden Celsius altijd als Kerstmannetje voor, royaal in het lichaamsvet en ook nog eens goed ingepakt in comfortabele lagen rode en witte wol, zijn gezicht tegen het schrale weer beschermd door zijn baard en zijn kalende kruin door zijn muts. De kerk is het huis van God en God woont in vele huizen, evenveel als er wereldwijd koelkasten zijn.
Ibs staat op om de waterkoker nog een keer aan te zetten. ‘Als ze me wil zien kan ze naar beneden komen. Ze weet dat ik er ben.’
Het apparaat begint nagenoeg meteen te blazen, eerst zachtjes maar al snel steeds harder, een elektrisch aangewakkerde wind die zal toenemen tot storm boven een borrelende binnenzee. Geruisloos is die technologie nog lang niet, te veel decibellen in de keuken heeft voor de producent geen prioriteit. De consument moet er het volume van zijn keukengesprekken maar op aanpassen.
‘Breng Marie ook even een kop als je een nieuwe pot zet. Eet je mee vanavond of moet je weer op tijd weg? Met jou weet ik het nooit.’
‘Ik slaap hier,’ antwoordt Ibs, wijzend op de weekendtas op de stoel naast zich, volgestouwd met was die nog de machine en de droger in moet voordat ze maandag met oom Kraal naar Antwerpen rijdt. ‘Ik hoef alleen na het eten nog een paar uurtjes weg. We kunnen vanavond tv kijken als je wil.’
Haar moeder slijt haar avonden met detectives, moordmysteries die binnen anderhalf uur tot ontrafeling komen. Als ze samen kijken kan ze haar theorieën en verdenkingen kwijt en hoeft ze haar reep chocola niet helemaal alleen op te eten.
‘Macaroni met broccoli en kaas uit de oven, daar maak ik haar geloof ik nog wel blij mee. Als het allemaal maar niet te ingewikkeld is op haar bord.’ Ze schudt een keer met het pak pasta en laat het op het aanrecht staan, de stronk broccoli legt ze ernaast na er even besluiteloos mee in haar hand te hebben gestaan. De geraspte kaas verdwijnt tot kooktijd nog wel de koelkast in.
Marie blij maken door de maaltijd eenvoudig te houden. Blij is een groot woord; het offer, denkt Ibs, de rijk gevarieerde maaltijd, is niet in verhouding.
‘Ik lust er ook nog wel een olijf doorheen.’
Een baby van acht maanden eet al meer dan drie ingrediënten in zijn warme maaltijd. Marie sleurt het hele huishouden mee in haar regressie. Straks moet de staafmixer er nog op en komt er alleen nog maar een pan prut op tafel, een pot appelmoes vervangt de salade. Tanden heeft niemand meer nodig.

 


Ibs heeft voor Rohen & Yokochi gekozen, de knisperverse zevende druk van voorjaar 2010, niet voor de voorgeschreven Netter of Sobotta. Realisme, belooft de atlas haar, of zelfs superrealisme; niet de geïllustreerde werkelijkheid van het lichaam in al zijn ontledingen krijgt ze gepresenteerd, maar de scrupuleus gefotografeerde, de werkelijkheid die een op een overeenkomt met wat ze op snijzaal onder ogen krijgt. Diepgaande kennis van de menselijke anatomie is al langer haar ambitie, en dat is precies wat Rohen & Yokochi haar in het vooruitzicht stellen, met een vertrouwen, volgens de ronkende tekst achterop en nog eens herhaald in de inleiding, alsof het allemaal nooit ingewikkelder wordt dan een cursus veterstrikken.
Ze heeft de flash cards er ook bij genomen, eerste druk 2008, gebaseerd op de vorige editie van de atlas omdat de tweede druk gebaseerd op de nieuwe nog op zich laat wachten. De doos met meer dan tweehonderd handzame kaarten is een praktische aanvulling op de atlas, een anatomische quiz in aantrekkelijk formaat; op de voorkant van elke kaart een afbeelding met gemarkeerde structuren, op de achterkant een aantal hints om die structuren te identificeren en de relevante klinische kennis erin te stampen. De quizmaster ben je zelf als je liever alleen studeert dan samen met je studiegenoten. Ze zou haar moeder kunnen vragen de quiz te presenteren maar ze doet het nooit, die enkele keer dat ze er met haar boeken en een pot koffie of thee aan de keukentafel zit. Oom Kraal, bij wie ze inwoont, is ziek, die wil ze niet confronteren met de pathologieën die ze bestudeert, hoewel hij er waarschijnlijk geen enkel probleem mee zou hebben als ze het hem zou vragen. Hij zou zijn quizmasterkostuum opdiepen uit zijn verkleedkist en er een show van maken.
Hoe eersteklas ook het studiemateriaal, ze gebruikt het secundair, ter ondersteuning; tijdens haar jarenlange zelfstudie is ze altijd aangewezen geweest op het papier als primaire bron, maar sinds september geniet ze de praktische privileges van de geneeskundestudent. Wat al die papieren kennis haar niet kan bieden en het levenloze lichaam op de snijtafel wel, is het leren op de tast. Nu haar handen kunnen voelen wat haar hersenen willen weten, klimt haar leercurve steil omhoog. Het zijn haar handen en de aanraking die haar hersenen een nog betere spons maken. Niet langer sprokkelt ze geleidelijk aan haar puntjes bij elkaar. In het spel van de werkelijkheid is ze na jaren van gestage vooruitgang de afgelopen maanden door een plafond gebroken en niet zomaar een level maar een heel universum opgeschoten.
Ze kan zich alleen maar voorstellen hoe spectaculair de vooruitgang zou zijn als ze zou mogen wat de anatomiestudent twintig jaar geleden nog mocht. Het is er alleen maar minder op geworden, heeft de oude Uffel verteld, door Ibs in stilte het Lijk genoemd, primus inter pares in het helverlichte dodenrijk, de Verticale onder de Horizontalen, de enige nog van de verenigde doden met adem in zijn kadaver. Uffel in zijn tijd, een baardloze Uffel als graatmager groentje dat nog niet die mengeling van koffie, pijptabak en formaldehyde wasemde, heeft naar hartenlust nog elk botje van het menselijk lichaam met zijn eigen knokige vingers mogen blootleggen en bepotelen tot op het putje en de groef. Tegenwoordig is eigenhandig snijden en prepareren er niet meer bij binnen het curriculum, wat volgens Uffel niet bevorderlijk is voor het denken in de driedimensionale ruimte, voor de gemiddelde student is dat lang niet meteen tweede natuur, die wisselt na een jaartje praktijkonderwijs niet al moeiteloos van perspectief in zijn technische voorstellingen van de inwendige mens.
Extracurriculair is er gelukkig nog wel iets mogelijk, een cursus Prepareren waarvoor Ibs zich meteen heeft opgegeven toen de inschrijving openging en die vandaag van start gaat met een eerste van acht bijeenkomsten. Nu ze hier eindelijk is, verwelkomd binnen de muren van de medische wetenschap, zal ze er ook gebruik van maken.